Biblio | Letselschade | Familierecht |Incasso | HelpDeskRecht | Coördinaten | Links | Start


Studentenarbeid (3)

Het laatste deel in onze reeks over studentenarbeid. We bespreken onder meer de sociale zekerheidsregeling, de kinderbijslag en wat te doen bij werkloosheid ? Sociale Zekerheid De socialezekerheidsregeling is in beginsel ook van toepassing op studenten. Hierop bestaat evenwel een belangrijke uitzondering. De studenten tewerkgesteld met een schriftelijke overeenkomst voor studenten, zijn niet RSZ-plichtig indien al de volgende voorwaarden vervuld zijn;

  • De tewerkstelling gebeurt tijdens de maanden juli, augustus en september;
  • De duur van de tewerkstelling is niet meer dan één maand. Onder "maand" wordt verstaan een kalendermaand, of een periode van gelijke duur (31 kalenderdagen). Indien de student tijdens de zomer meerdere overeenkomsten sluit (al dan niet bij één werkgever), blijft de vrijstelling behouden voor zover de som van alle kalenderdagen gedekt door de overeenkomsten, niet groter is dan 31;
  • De student mag tijdens het schooljaar dat aan de vakantie voorafgaat niet bij dezelfde werkgever gewerkt hebben onder toepassing van de sociale zekerheidswet. Indien deze tewerkstelling uitsluitend plaatsvond tijdens de kerst- of paasvakantie, komt hij toch voor deze vrijstelling in aanmerking. Onder kerst- of paasvakantie wordt verstaan, de vakantieperiodes rond Kerstmis en Pasen, zoals zij afgebakend zijn voor de onderwijsinstelling waaraan de student verbonden is. Aan deze voorwaarde werd zeer recent een wijziging aangebracht. In de praktijk kwam het immers voor dat een bedrijf studenten tewerkstelde gedurende het schooljaar en diezelfde studenten opnieuw tewerkstelde gedurende de vakantie, maar dan via een uitzendbureau. Hierdoor kon dan toch de RSZ-vrijstelling worden bekomen. Om deze praktijk stop te zetten keurde de Ministerraad op 7 mei 1999 een KB goed waardoor de RSZ-vrijstelling voor studenten in dergelijk ook vervalt. De RSZ-vrijstelling zou ook niet meer gelden voor een werkgever die een student tewerkstelt tijdens de zomermaanden wanneer dezelfde student reeds tijdens het voorgaande schooljaar bij hem ter beschikking gesteld werd door een uitzendbureau (uitgezonderd tijdens de kerst- of paasvakantie). De vereiste formaliteiten om de vrijstelling te genieten zijn: de arbeidsovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt en binnen de zeven dagen na de indienstneming moet één exemplaar overgemaakt worden aan de Inspectie van de Sociale Wetten van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

Sinds 1 januari 1997 wordt op het loon van studenten, die niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid ingevolge bovenstaande regeling, een solidariteitsbijdrage berekend. De solidariteitsbijdrage moet berekend worden op het loon aan 100 %, zowel voor arbeiders als voor bedienden.
De solidariteitsbijdrage bedraagt 5 % ten laste van de werkgever en 2,5 % ten laste van de student. Dit laatste percentage wordt ingehouden op het loon en betaald door de werkgever.
De bijdragen volgen het regime van de gewone socialezekerheidsbijdragen, ze worden betaald aan dezelfde instelling, tijdens dezelfde termijnen en voor de bijdragen gelden dezelfde bepalingen op het vlak van burgerlijke sancties, strafbepalingen, verjaring, enz ...

Kinderbijslag
Een student behoudt het recht op kinderbijslag in volgende gevallen:

  • wanneer de activiteit wordt uitgeoefend in het kader van een schriftelijke overeenkomst voor tewerkstelling van studenten;
  • wanneer de activiteit niet wordt uitgeoefend in het kader van een studentenovereenkomst en minder dan 80 uren per kalendermaand bedraagt;
  • wanneer de activiteit niet wordt uitgeoefend in het kader van een studentenovereenkomst en er gewerkt wordt tijdens de schoolvakanties (kerstvakantie, paasvakantie en zomervakantie). Deze activiteit mag dan zelfs meer dan 80 uren per maand bedragen, behalve als de activiteit zich deels binnen en deels buiten de vakantieperiode uitstrekt. In dat geval geldt voor de maand
  • met gedeeltelijke prestaties binnen en buiten de vakantieperiode de 80-urengrens.

Ziekteverzekering

De meeste studenten zijn verzekerd als persoon ten laste bij hun ouders. Dit blijft ook zo gedurende de tewerkstelling als student.

Arbeidsongevallen

De werkgever moet voor alle studenten, dus ook voor degenen die niet onderworpen zijn aan de RSZ-wetgeving, een arbeidsongevallenverzekering afsluiten. De student die het slachtoffer wordt van een ongeval op het werk of op de weg van en naar het werk, zal bijgevolg aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor arbeidsongeschiktheid ten laste van de verzekeringsinstelling van de werkgever.

Werkloosheid

Een student die zijn studies heeft beëindigd, kan nog een studentenovereenkomst sluiten in de maanden juli, augustus en/of september onmiddellijk volgend op het einde van zijn studies. Indien deze student zich nadien inschrijft als werkzoekende, kan de studentenovereenkomst invloed hebben op de wachttijd voor het verkrijgen van werkloosheidsuitkeringen. De wachttijd wordt immers verlengd met het aantal dagen, behalve de zondagen, dat de persoon gebonden is door een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten waarbij geen normale inhoudingen voor sociale zekerheid werden verricht. (Hiermee wordt niet de solidariteitsbijdrage bedoeld).

Jaarlijkse vakantie

Alleen de studenten die RSZ-plichtig zijn tijdens de duur van hun arbeidsovereenkomst, hebben recht op jaarlijkse vakantie en vakantiegeld zoals gewone werknemers.

Fiscale aspecten

  1. Bedrijfsvoorheffing
    In principe dient op het loon van een student bedrijfsvoorheffing te worden ingehouden. Er is evenwel geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de lonen die worden uitbetaald of toegekend aan studenten wanneer de volgende voorwaarden samen zijn vervuld :
    • de student werkt in juli, augustus of september voor maximum één maand;
    • met een schriftelijke arbeidsovereenkomst, en
    • op zijn loon zijn geen sociale zekerheidsbijdragen, met uitzondering van de solidariteitsbijdrage, verschuldigd.
  2. De student als persoon ten laste
    De student blijft fiscaal ten laste van zijn ouders indien hij niet méér verdient dan 76.000 fr. netto-belastbaar per jaar. Dit komt overeen met een bruto-belastbaar inkomen van 95.000 fr. Een kind van een alleenstaande blijft fiscaal ten laste indien hij niet méér verdient dan 113.000 fr. netto-belastbaar. Dit is 141.250 fr. bruto-belastbaar. Voor gehandicapte kinderen van alleenstaanden wordt het grensbedrag bepaald op een netto-belastbaar inkomen van 151.000 fr. op jaarbasis (bruto-belastbaar van 188.750 fr.). Heeft de student inkomsten boven bovenvermelde grenzen, dan wordt hij niet meer beschouwd als persoon ten laste in de belastingaangifte van zijn ouders.

Artikel werd geschreven door SD WORX en gepubliceerd in 'Antwerpen Positief'.
Voor meer info over deze krant -redactioneel of publicitair- kan u de redactie contacteren op
014/233 596 of per e-mail antwerpen.positief@kempenland.be


(c)1999-2010 Ward Van Loo
Webproject Verbrugghe Consulting